Categories

Come on in! Join Pinterest today...it only takes like a second or so.

Tekeningen van A.P. Sipman

De collectie van Anton Sipman werd in 2010 door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verworven. In deze collectie bevinden zich 277 bouwhistorische tekeningen van windmolens, die Anton Sipman vanaf 1934 in detail heeft opgemeten en getekend. In een aantal gevallen zijn deze molens inmiddels gesloopt of aanzienlijk verbouwd, waardoor deze tekeningen één van de weinige overgebleven bronnen zijn over de geschiedenis van het bouwen van windmolens. Ze kunnen daardoor een grote bijdrage leveren aan het bouwhistorische onderzoek van molens. Naast de tekeningen bevat de collectie Sipman foto’s, schetsen, correspondentie, knipsels, veel aantekeningen en drie nog niet eerder gepubliceerde manuscripten voor boeken over oliemolens, houtzaagmolens en poldermolens.

Draagschema van een standerdmolen (1943). De standerdmolen is het oudste molentype en is een Noord-Europese uitvinding. Standerdmolens waren over het algemeen korenmolens en behalve op waterrad- en korenmolens, maalde men in de Middeleeuwen op deze molens het koren. Gedurende vele eeuwen bleef de standerdmolen de enige windmolen en pas bij de overgang van de 14e naar de 15e eeuw werd uit de standerdmolen de wipmolen ontwikkeld. Omstreeks dezelfe tijd ontstond ook, aan de oostgrens van Nederland, de torenmolen. De afbeelding geeft een schematische weergave van de standerd. De kast van de standerdmolen wordt gedragen door de standerd; de molen kan door de kast te draaien op de wind gezet worden.

De uitgave van een portfolio met Molentekeningen van Sipman in 1978 is één van de meest bijzondere uitgaven op het gebied van molens. De map bevat in totaal 75 tekeningen van molens en molenonderdelen, waarvan 14 in kleur zijn uitgevoerd. De tekeningen betreffen 35 molentypen en opgemeten molens, allemaal fotografisch getrouw weergegeven met grote aandacht voor details. Nog steeds vormen deze tekeningen fascinerend studiemateriaal als het gaat om de bouwwijze en inrichting van de molens. De bouwkundige tekeningen zijn van zeer groot formaat, en waren te koop voor 900 gulden. De tekeningen munten uit in hun precisie en in artisticiteit. De handleiding is een geïllustreerde specificatie van in de map behorende tekeningen, benevens verklarende woordenlijsten in de Nederlandse en Engelse taal met een lijst van intekenaren op de map.

Aan het fenomeen molenwielen heeft Anton Sipman in 1980 deze monografie gewijd. Met deze studie gaat hij tot in details in op de materie. Achtereenvolgens behandelt hij de ontwikkeling van tandrad naar kamwiel; de kammen, staven en dollen; de opbouw van de kroon- en spoorwielen en de schijflopen; de lassen in de delen van het kroon- en spoorwiel. Ook gaat hij hier in op de voor de verschillende onderdelen noodzakelijke houtsoorten. Ook besteed Sipman aandacht aan een aantal bijzondere wielen, zoals bovenwielen, waterwielen, vijzelwielen, rosmolenwielen, gaffelwielen en (touw)snaarschijven en hun trekblokken.

In 1977 schreef Sipman Hellend Scheprad

In 1975 verscheen zijn eerste grote studie, Molenbouw: Het staande werk van de bovenkruiers. Het was direct een standaardwerk, dat onmiddellijk grote belangstelling kreeg. Bijna elke Nederlandse krant, vele vakbladen en de radio besteedden er aandacht aan. Na Molenbouw verschenen in snelle vaart andere publicaties als onderdeel van zijn overzichtswerk. In dit boek behandelt Sipman het staande werk van de bovenkruiers en daarbij onder meer de bouw van de acht-, zes-, en zestienkanten, uitvoeriger dan ooit is geschied. Dit boek verstrekt informatie over de geschiedenis en bouwwijze van de molen. Een werk waar een ieder die met molens en molenrestauraties heeft te maken, veel mee kan doen.

Anton Sipman werd in 1906 geboren in Anna Paulowna (NH). Nadat hij de HBS had doorlopen ging hij studeren aan de tekenacademie. Daarna werkte hij als tekenleraar in Alkmaar en later tot aan zijn pensioen in Arnhem. Eind jaren twintig raakte Anton Sipman gefascineerd door windmolens. Uit 1928 dateert een tekening in zwart krijt van een van de poldermolens van de Zes Wielen bij Oudorp, bij Alkmaar. Niet lang erna begon hij interieurs van industriemolens te tekenen, waaronder dat van de maalzolder van ´t Roode Hert, ook in Oudorp. Deze molen was na brand herbouwd in 1925 door de drie broers Poland, met gebruikmaking van de bovenbouw van een molen uit 1748 uit Zaandam. Van zowel de brand als de herbouw was Sipman getuige geweest. In 1934 betrokken de molenbouwers Poland hem bij de bouw van andere molens, waardoor hij veel kennis opdeed. In dat jaar maakte hij zijn eerste technische molentekeningen. Ook bij de herbouw van de Zaanse molen Het Jonge Schaap in 2007 is gebruikgemaakt van gedetailleerde tekeningen die Sipman voor de afbraak van de originele molen in 1942 had gemaakt. Anton Sipman combineerde het technische tekenen met een lossere, creatievere stijl. Hij was opgeleid als technisch tekenleraar, maar eigenlijk had Sipman ontwerper willen worden. Het lukte hem echter niet om daarmee de kost te verdienen. Vanaf 1934 besteedde hij al zijn vrije tijd aan het opmeten en tekenen van molens om zo inzicht te krijgen in de volledige geschiedenis van de molenbouw. Anton Sipman overleed op 11 januari 1985 te Nijmegen op de leeftijd van 78 jaar.

Torenmolen Zeddam, 17e en 18e eeuwse toestand 1946

Het staandewerk van de Gooijer Amsterdam 1971

Molentekening (1963) van een wipmolen met een scheprad, veel voorkomend in de provincies Utrecht en Zuid-Holland en het Gelders rivierengebied. De wipmolen is voortgekomen uit de standerdmolen en werd meestal ingezet als poldermolen. Vooral de provincie Zuid-Holland is de streek geworden van de wipmolen en heeft dit molentype zich naast de gemetselde bovenkruiers weten te handhaven. Op de tekening zien we een molen die waarschijnlijk is gebouwd in de tweede helft van de 19e eeuw met potroeden, gietijzeren boven- en wateras en een ijzeren scheprad.

Houtzaagmolen, de krukzolder van de paltrok 1984

Hellend scheprad, het rad van Eckhardt (1771) 1976

Molentekening (1973) van de oudste vorm van de torenmolen met kegelkap uit de eerste helft van de 15e eeuw uit Zuidoost Nederland. Behalve op waterrad- en korenmolens, maalde men in de Middeleeuwen het koren op standerdmolens. Al vroeg ontstond de behoefte om een gemetselde molen te bouwen maar dit kon men pas doen na de uitvinding van de kruibare kap. In ons land met de onophoudelijk wisselende winden, is een kap die alle winden kan benutten onmisbaar. Torenmolens zijn hoofdzakelijk in het zuidoosten van Nederland gebouwd en werden gebruikt voor het malen van koren. De toegang tot de oude torenmolens ging langs een (buiten om de toren gaande) trap. De kap was erg zwaar en moest door twee personen tegelijk gekruid worden met twee kruiwerken. De oudste vorm van de kapbedekking was de kegelkap, een bouwwijze waarvan niets bekend is en waarvan de reconstructie op de tekening geheel voor rekening is van Sipman.

Molentekening (1948) van een weidemolen uit de Zaanstreek (l) en één uit Oostwoud (r). Op de afbeelding staan twee weidemolens die in staat zijn een klein en lager gedeelte van een polder te bemalen. Daardoor hebben er veel weidemolens gestaan in de Zaanstreek. Hier vinden we vele strookjes grasland die door inklinking van het laagveen steeds verder beneden het polderpeil zakken. Verder vinden we deze weidemolens vooral in de gehele provincie Noord-Holland op alle kleine en lager gelegen polders. Het bemalingswerktuig van deze molens bestond uit een vierkant gevormde kuip met een waaier die daarbinnen draaide.

Molentekening (1944) van een wagenschotzager uit Noord- en Zuid-Holland. Wagenschot is de benaming van de mooiste en beste kwaliteit eikenhouten planken van 1 tot 2,5 mm dikte die op een bepaalde manier uit de boomstam werden gezaagd. Aan deze kwaliteit was al het mogelijke gedaan; na de keuze van de beste bomen liet men ze nog een jaar staan, waarna ze nog een aantal jaren werden gewaterd in de balkenhaven van de molen. Wagenschot werd o.a. gebruikt voor de lambrizering van de betere woningen en kwam in het begin van de 18de eeuw tot grote bloei. De wagenschotzagerijen verdwenen in snel tempo. Ook de kennis van de werkwijze en inrichting van een wagenschotzagerij raakte mede hierdoor verloren. De tekeningen van Sipman zijn de weinige bronnen over die tijd.